
Roze of grote flamingo - Phoenicopterus roseus - Greater Flamingo
Flamingo's vormen een familie met 6 soorten die (na DNA-onderzoek) sterk verwant blijken met futen en duiven. Lange tijd werd gedacht dat ze verwant waren aan ooievaars, maar dit blijkt niet zo te zijn. Tegenwoordig worden flamingo's ingedeeld in een eigen familie met drie geslachten, de Phoenicopteridae. Deze familie omvat 6 soorten en 1 ondersoort:
- Andesflamingo (Phoenicoparrus andinu)
- Chileense flamingo (Phoenicopterus chilensis)
- James-flamingo (Phoenicoparrus jamesi)
- Kleine flamingo (Phoeniconaias minor)
- Roze flamingo (Phoenicopterus roseus)
- Rode of Cubaanse flamingo (Phoenicopterus ruber ruber) Zie hier met ondersoort Galapagos flamingo (Phoenicopterus ruber glyphorhynchus)
De natuurlijke habitat bestaat uit kustgebieden en zoutmeren, vaak wateren met een zeer hoog zoutgehalte.
Dit artikel gaat over de "gewone" flamingo, ook wel roze of grote flamingo genoemd. Deze soort is voor het eerst beschreven in 1811
door Pallas. Deze grote vogel leeft in het zuiden van Azië, in Afrika en in het zuiden van Europa, met name in Spanje. Een
enkele keer worden de vogels ook waargenomen in Frankrijk, België en zelfs Nederland.
De roze flamingo is de grootste van
de 6 soorten die wereldwijd leven, hij wordt gemiddeld 1,40 meter hoog maar het grootste ooit gemeten exemplaar was zelfs
1,87 meter.
Flamingo's kunnen zeer oud worden, in een dierentuin in Australië leeft een exemplaar dat daar in 1933 als volwassen vogel
arriveerde. In 2010 is/was deze vogel nog steeds in leven. In het wild is de kans dat een dier zo oud wordt ongetwijfeld
veel kleiner, iets trager kan al fataal zijn.
Een flamingo heeft in verhouding met zijn geringe lichaamsgewicht enorm lange poten. Een volwassen flamingo weegt niet meer
dan 3 kilo, maar de poten zijn vaak bijna een meter lang. Ook de hals is lang, ongeveer net zo lang als de poten. Dat moet
ook wel want flamingo's staan het grootste deel van de dag recht op hun poten naar voedsel te zoeken. De kop hangt dan
ondersteboven in het water en stroomt vol water. Dankzij een ingenieus filtersysteem in de snavel wordt het voedsel
gescheiden van het water. Dit systeem van filteren wordt ook gezien bij een aantal walvissoorten, die hebben daar de
baleinen voor.
De poten hebben zwemvliezen, maar die zijn vooral bedoeld om te zorgen dat de vogels niet wegzakken in
de modderige bodem waar ze hun eten zoeken.
Het voedsel van flamingo's bestaat uit allerlei kleine waterdiertjes met garnalen en kreeftjes hoog op de lijst. Met name uit de garnalen wint de vogel de bouwstoffen voor zijn prachtige roze kleur.
In de broedtijd bouwen flamingo's van modder en planten een flinke heuvel met een eenvoudig kuiltje bovenin. Deze heuvel is vrij hoog, omdat ze in veel gebieden waar ze leven eb en vloed meemaken. Na uitvoerig balts en imponeergedrag door de mannetjes volgen er meerdere paringen. Het vrouwtje legt ruim een week later een enkel groot ei. Beide vogels broeden om beurten na een maand komt het ei uit. Dit uitkomen blijkt een hele klus, want tussen het moment van aanpikken en daadwerkelijk uitkomen kanwel 48 uur zitten.
Een net geboren jong is amper 15 cm groot en bedekt met dik grijs dons. Net als duiven produceren flamingo's een soort
kropmelk, een vette en voedzame vloeistof. Hiermee voeden ze het jong gedurende twee maanden. In die tijd is het jong flink
gegroeid en kan het al wat lopen. Het blijft nog lang bedelen bij de ouders maar leert ondertussen ook zelf voedsel
verzamelen. Met drie maanden hoort hij zelfstandig te kunnen eten.
Pas na een jaar worden de veren roze, maar nog
steeds veel lichter dan die van de ouders. Helemaal volwassen en op kleur is hij pas op vierjarige leeftijd.
In dierentuinen wordt veelvuldig gekweekt met deze flamingo's, de dierentuin in Bazel was hier al in de vijftiger jaren succesvol mee. Zij kweekten tot nu toe rond de 400 jongen die overal ter wereld in dierentuinen leven, het gevaar van inteelt lag op de loer. Nu de diverse tuinen wereldwijd beter samenwerken, ontstaat er weer een wat bredere genenpoel en worden er geen of bijna geen dieren meer uit het wild gevangen.





