
Aziatische Steenpatrijs - Alectoris chukar - Chukar Partridge
De Aziatische Steenpatrijs, ook wel Chukarpatrijs genoemd, is in 1830 voor het eerst beschreven door John Edward
Gray, een Brits zoöloog die vele diersoorten beschreven heeft, onder andere ook katachtige en vissoorten. Met nog
6 soorten is deze patrijs ingedeeld in het geslacht Alectoris en de naam steenpatrijs komt van de ondergond waar
deze vogels gewoonlijk op leven, rotsen en steen.
De andere soorten zijn:
- Arabische steenpatrijs - Alectoris melanocephala
- Barbarijse patrijs - Alectoris barbara
- Chinese steenpatrijs - Alectoris magna
- Europese steenpatrijs - Alectoris graeca
- Philby's steenpatrijs - Alectoris philbyi
- Rode patrijs - Alectoris rufa
Aziatische Steenpatrijzen komen van nature alleen in Azië voor, met name in Afghanistan en Nepal, maar zijn speciaal voor de lol van jagers uitgezet op bijna alle werelddelen.
Deze patrijzen zijn echte grondvogels maar kunnen wel degelijk een stuk vliegen. Als ze opgeschrikt worden,
vliegen ze luid schreeuwend wel enkele honderden meters ver. Ze maken de hele dag door ook vrij veel geluid, van
rustig gekakel tot fel geschreeuw van vooral de haantjes.
Het voedsel bestaat uit veel soorten zaden en insecten. In hun originele habitat is het zaad van Eragrostis
(liefdesgras) het meest geliefde voedsel. Zaden van deze grassoort worden ook als veevoer gebruikt. Door in
groepen te foerageren, worden veel insecten opgeschrikt en zijn zo makkelijker te vangen. Ook nemen de vogels veel
grit op, omdat ze de zaden ongepeld doorslikken.
In de broedtijd worden de haantjes in een groep erg onrustig en er ontstaan imponeergedrag en zelfs gevechten. Dat is de tijd dat elk haantje een hen probeert te verleiden tot paren. Met pronkend zo rechtop mogelijk heen en weer lopen en een luide roep maakt hij indruk op de dames. Dan biedt hij diverse hennen voedsel aan en hij pikt ze liefkozend. Een hen die positief reageert, pikt hem terug en zo vormt zich een koppel. De hen buigt en de paring volgt. Direct daarna begint de haan weer opnieuw te baltsen en probeert een volgende hen te veroveren.
De hen maakt op een verscholen plekje een kuiltje en legt tot wel 12 eitjes. Ze broedt ze zelf uit in ruim drie weken. De jongen zijn nestvlieders en lopen zodra ze opgedroogd zijn de moeder achterna. De hen verzamelt wel voedsel voor ze maar ze moeten dit zelf oppikken. Na een paar dagen al voegt het een-ouder-gezin zich bij de grote leefgroep, dat is de veiligste plek voor de jongen.





