
Grote mantelmeeuw - Larus marinus - Great Black-backed Gull
De grote mantelmeeuw is de grootste meeuw ter wereld, hij kan ruim 75 groot worden. Hij is in 1758 door
Linnaeus ingedeeld in het geslacht Larus, een geslacht met 24 soorten. Determinatie van deze soorten kan
bijzonder moeilijk zijn omdat de vogels als jong allemaal op elkaar lijken. Ook tijdens de rui tonen veel
soorten onderling grote gelijkenis. Waar leefgebieden elkaar overlappen komen ook nog eens veel kruisingen
voor, wat het nog lastiger maakt.
Onze grote mantelmeeuw is behalve door zijn formaat ook goed te onderscheiden van de kleine mantelmeeuw door
de kleur van de poten. Die van de kleine zijn geel tot oranje, de grote mantelmeeuw heeft roze poten.
Grote mantelmeeuwen zijn echte kust- en zeevogels, ze dringen maar zelden het binnenland in en alleen als daar grote open wateren zijn met veel voedsel. Ze komen voor in het noord-westen van Europa en in Noord- Amerika. Ze leven in kustgebieden en broeden in gebieden met ruige rotsen.
De grote mantelmeeuw zou gerust onder de roofvogels kunnen vallen, het is namelijk een nietsontziende
alleseter. Hij eet behalve vis ook eieren en jongen van andere vogels, maar hij valt net zo makkelijk alles
aan wat kleiner is dan hij als hij echt honger heeft. Alle soorten kleinere meeuwen maar zelfs
papegaaiduikers zijn niet veilig als de grote mantel op rooftocht is. Hij slaat de prooien tegen de grond en
houdt ze net zo lang vast tot ze zichzelf doodspartelen. In zee verdrinkt hij andere vogels om ze daarna in
hun geheel in te slikken. Hij kan prooien van ruim een kilo aan. Op het land kan hij duiven, knaagdieren en
reptielen vangen en opeten.
Behalve zelf vangen is deze vogel ook een geducht prooiendief, niet alleen bij andere vogels. Hij volgt ook
groepen jagende zeehonden en steelt daar prooi of delen daarvan. Waar scholen dolfijnen of tonijnen kleine
vissen opjagen, is de grote mantelmeeuw vaak als eerste in het water om mee te profiteren.
Een groot deel van de populatie die in Europa leeft, broedt in Scandinavië en Schotland, de dieren die meer
westelijk leven, broeden in Noord-Amerika, Canada en Groenland. Ze maken van waterplanten en wier een fors
laag nest op een rotsplateau. De pop legt per legsel 3 forse eieren, het eerste ei is rond de 7,5 cm groot,
het tweede ietsje kleiner en het derde nog iets kleiner. De eieren worden 4 weken bebroed voor de jongen
uitkomen. Beide ouders voeren de jongen met voornamelijk vis en als ze 7 weken oud zijn vliegen ze uit.
Jonge mantelmeeuwen zijn grijsbruin gespikkeld en lijken totaal niet op de ouders. Ze kleuren maar heel
langzaam naar het volwassen verenkleed, het kan wel 4 jaar duren eer ze er uitzien als de ouders.





