
Amerikaanse Fregatvogel - Fregata magnificens - Magnificent Frigatebird
De Amerikaanse fregatvogel is pas in 1914 als soort beschreven door de Amerikaanse ornitholoog Gregory Macalister Mathews. De vogel komt voor langs de kusten van Midden- en Zuid-Amerika maar wordt soms ook gezien in Engeland, Denemarken en Spanje. Op en rond de Galàpagos eilanden, een eilandengroep zo'n 1000 km ten westen van Equator, leeft een populatie die, zo is uit onderzoek gebleken, al vele tienduizenden jaren geheel geïsoleerd leeft van de overige soortgenoten. In kringen van deskundigen gaan stemmen op om deze groep tot ondersoort te benoemen.
Amerikaanse fregatvogels zijn grote vogels, ze zijn rond een meter groot en hebben een spanwijdte van ruim 2 meter. Ze zijn zeer
licht in gewicht in verhouding met hun formaat, waardoor ze wel als voorbeeld voor zweefvliegtuigen gezien worden. Ze vliegen en
zweven dag en nacht en rusten slechts sporadisch. De vlucht is zo goed als geluidloos.
Volwassen mannetjes hebben een rode
keelzak die ze flink kunnen opblazen om vrouwtjes en/of concurrenten te imponeren.
Deze fregatvogels leven van vis, maar de manier waarop ze deze meestal bemachtigen is toch bijzonder apart te noemen. Het zijn
eigenlijk gewoon dieven, de term roofvogels zou letterlijk op z'n plaats zijn. Soms scheppen ze zelf vissen van het wateroppervlak
maar veel vaker beroven ze in de lucht andere vogelsoorten die met prooi terugkeren naar hun nesten of partners. De fregatten zijn
zo snel en behendig dat ze bijna altijd slagen, de beroofde zal opnieuw op jacht moeten. Een van de Engelstalige bijnamen is dan ook
Bird of War, "oorlogsvogel".
Deze manier van prooi bemachtigen is haast wel noodzakelijk, want fregatvogels kunnen niet meer
opstijgen als ze te lang in het water zouden blijven, de veren zijn wel waterafstotend maar vormen geen waterdicht verenpak zoals
dat van echte watervogels. Ze blijven dan ook altijd net boven het wateroppervlak als ze zelf op vis jagen.
Amerikaanse fregatvogels maken ook gebruik van thermiek, ze kunnen hoogtes bereiken van wel 2 kilometer. Door daarna zwevend naar
beneden te cirkelen, pakken ze de noodzakelijke rustmomenten. Ze blijven zo dagen en nachten achter elkaar in de lucht, echt slapen
doen ze dan nauwelijks. Voor zover ons bekend is de gierzwaluw de enige andere vogel die zo lang in de lucht blijft.
Bij heel
slecht weer op de oceaan rusten ze wel aan land, in grote groepen zitten ze dan op eilandjes, bij voorkeur in mangrovebossen. Ze
zitten dan net als aalscholvers vaak met gespreide vleugels de warmte van de zon te vangen.
In de broedtijd verzamelen mannetjes zich op een eiland en vormen een groep die bij bijvoorbeeld schamalijsters een "lek" genoemd
wordt. Ze tonen zich dan op hun opperbest, maken zoveel mogelijk kabaal en blazen de keelzak zo groot mogelijk op. Vrouwtjes vliegen
over zo'n groep heen en kiezen een partner.
Als een koppel gevormd is, draagt de man nestmateriaal aan, vooral takken, terwijl de vrouw voor bouwvakker speelt. Het nest wordt
gemaakt in een boom of struik.
Na diverse paringen legt het vrouwtje een enkel ei, dat door beide oudervogels om beurten bebroed wordt. De incubatietijd is maar liefst 8 weken. De eerste 3 maanden voeren beide vogels het jong, dan vertrekt de man naar zee en moet het vrouwtje het jong verder opvoeden. Het duurt nog eens ruim 2 maanden voor het jong uitvliegt maar dan nog is de taak niet volbracht. Het vrouwtje blijft het jong nog zeker een half jaar voeren voor het zelfstandig is.
Vrouwtjes van de Amerikaanse fregatvogel kunnen omdat het grootbrengen van een jong zo lang duurt, slechts om het jaar een jong grootbrengen, mannetjes echter proberen gewoon een andere partner te verleiden en kunnen dus wel elk jaar broeden.





