
Goudkopmanakin - Pipra erythrocephala - Golden-headed manakin
De goudkopmanakin is voor het eerst beschreven in Linnaeus' werk uit 1758. De vogel bleek sterk verwant met de roodkapmanakin, de
Pipra rubrocapilla. Ook in de wetenschappelijke naam is dat terug te vinden, "erythro" betekent rood en cephala betekent "op de
kop". Dat de goudkop niet een rode maar een oranjegele kop heeft, heeft te maken met een andere indeling van de kleurstoffen in de
kopveren. Dus niet een andere verhouding maar een andere plaatsing van de diverse kleurstoffen in elke veer.
Veel later
ontdekte men dat er meer verschillen zijn, ook anatomisch, de rivier de Amazone wordt als scheiding gezien tussen de twee soorten.
Een aantal deskundigen menen dan ook dat de vogel een heel aparte soort is binnen de familie Pipra's en geven de vogel nu de naam
Dixiphia erythrocephala. Wij laten het voorlopig nog bij de naam Pipra erythrocephala.
Er worden tegenwoordig 3 ondersoorten erkend van onze goudkop, de Pipra erythrocephala erythrocephala, de Pipra erythrocephala berlepschi en de Pipra erythrocephala flammiceps.
Goudkopmanakins zijn rond de 9 cm groot en alleen de mannetjes hebben de fraaie gele kop, popjes zijn vaalgroen en tonen geen of
nauwelijks kleurverschil tussen kop en lijf. De vogels komen voor in het noordelijk deel van Zuid-Amerika en op een aantal
Caribische eilanden, waaronder Trinidad.
Naast wat fluittonen, kunnen manakins ook een zoemend geluid voortbrengen, vooral
tijdens de balts doen mannetjes dat veel.
Het grootste deel van het menu bestaat uit allerlei soorten zacht fruit met daarnaast kleine insecten. Soms eten ze ook halfrijpe zaden en nectar uit bloemen.
Deze manakins tonen zeer apart baltsgedrag, mannetjes verzamelen zich in een groep die beschreven wordt als een "lek". Rond de 10
mannetjes zoeken elk een mooi plekje op een tak en dansen, zoemen en trillen met hun vleugels om zo een popje te imponeren. De pop
kiest een partner, meestal degene die het meest zijn best gedaan heeft tijdens de "show".
Langdurige observatie heeft
aangetoond dat er vaak meerdere popjes zitten te kijken, die elk hun eigen favoriet lijken te hebben, vaak worden tijdens een
opvoering meerdere huwelijken gesloten.
Na de balts volgen er meerdere paringen en de nestbouw is werk voor de popjes. Van zeer fijne materialen maken ze een kommetje waar
ze maar net in lijken te passen. Een legsel bestaat uit 2 bruingele eitjes, die de poppen ook zelf uitbroeden, dat duurt ongeveer 16
dagen. De jongen worden wel vaak door beide oudervogels gevoerd.
Jonge vogels lijken het eerste jaar sprekend op de pop,
mannetjes kleuren pas na de eerste volledige rui.





